| Home | Benamingen | Beginnen | Opmaak | Vulgreep |
| Rekenen met getallen | Rekenen met cellen | Grafieken | Extra | |
Als je veel moet uitrekenen, ben je soms lang bezig op je rekenmachine. Excel kan voor jou een hoop rekenwerk oplossen. Vooral grote hoeveelheden getallen optellen gaat veel sneller. In dit hoofdstuk leer je reken met getallen.

Net als op je rekenmachine gebruik je in Excel ook rekentekens voor optellen, vermenigvuldigen, enz. Deze tekens zien er iets anders uit dan op je rekenmachine:
| Rekenen met | Teken op je rekenmachine | Teken in Excel |
| Plus | + | + |
| Min | - | - |
| Gedeeld door | : | / |
| Maal | x | * |
Het makkelijkst kun je de tekens vinden aan de rechterkant van je toetsenbord, zoals je hieronder ziet.

Op je rekenmachine typ je een berekening in en eindig je met het =-teken, bijv. 200+200= en het antwoord verschijnt. In Excel is dat andersom. Je BEGINT met het =-teken. Dan weet Excel dat je iets wilt uitrekenen.
Opdracht 13:
Als het goed is, ziet het er dan zo uit als hieronder.

Schijn bedriegt. Je ziet dat in cel A1 het getal 20 staat, maar in werkelijkheid staat er een berekening (of formule). Wat er echt in de cel staat, zie je in de formulebalk (achter fx). Hieronder zie je hoe dat eruit ziet.

Je kunt ook met meerdere getallen rekenen. Je kunt plussen en minnen door elkaar gebruiken, enz. Een voorbeeld:
=80+8-88-4*22+176/2
Opdracht 14a:
|
Opdracht 14b:
Ga verder naar Rekenen met cellen.